Topstukken

Groteskenschotel

Een Haarlems familiedrama

Daar staat hij, een naakt, gezet kereltje met vleugels. In zijn linkerhand houdt hij een wereldbol met kruis erop vast, in zijn opgeheven rechterhand een dunne mast met vlag. Hij kijkt een beetje chagrijnig, misschien omdat hij het koud heeft, zo in de buitenlucht. Het is een cupido, putto of engel. Hoe deze wezens genoemd worden is afhankelijk van de context: ofwel heidens Grieks-Romeins ofwel bijbels. Deze afbeelding is vermoedelijk bijbels. De overeenkomst met het Christuskind met wereldbol - symbool voor zijn macht - is opvallend. Het engeltje is het hoofdonderwerp op een grote schotel die is beschilderd in blauw, paars, oranjebruin en vooral geel. De ruimte eromheen is opgevuld met een groteskendecor, een uit de Romeinse oudheid stammende versieringswijze.

 

Schotel, circa 1645-1655, Plateelbakkerij Willem Jansz Verstraeten, Haarlem (toegeschreven), aardewerk, Ø 46 cm, bruikleen Fries Museum

Schotel, circa 1645-1655, Plateelbakkerij Willem Jansz Verstraeten, Haarlem (toegeschreven), aardewerk, Ø 46 cm, bruikleen Fries Museum.
Klik op de afbeelding om de volledige schotel te zien.

De schotel is in het midden van de zeventiende eeuw in Nederland gemaakt en wordt toegeschreven aan de plateelbakkerij van Willem Jansz. Verstraeten uit Haarlem. Het stuk maakt deel uit van een grote groep vaatwerk, hoofdzakelijk borden, crespina’s (kleine geplooide schaaltjes) en grote schotels, die op een vergelijkbare wijze zijn gedecoreerd met  landschappen, heraldische wapens, bijbelse thema’s en een enkele keer bloemen. Geel is de dominante kleur, maar combinaties met blauw, of alleen blauw, komen ook voor.  

Lang is getwijfeld of deze groep wel in Nederland is gemaakt, er werd eerder aan Italië of Antwerpen gedacht. Vreemd is dat niet, omdat de stijl waarin het aardewerk is uitgevoerd bij uitstek Italiaans is. Het groteskendecor met de hoofdzakelijk gele kleurstelling is in de tweede helft van de zestiende eeuw in Italië ontwikkeld. Via de handel door de Straat van Gibraltar kwamen dergelijke stukken in Nederland terecht. De Italiaanse motieven werden door Nederlandse plateelbakkerijen overgenomen, waarna de kleuren en de uitbeelding van landschappen en bijbelse thema’s van dit soort aardewerk ook typisch Nederlands zijn geworden. Nu twijfelt dus niemand meer aan een Nederlandse herkomst, maar de toeschrijving aan Willem Verstraeten uit Haarlem is een ander verhaal. Er zijn geen gesigneerde stukken aardewerk bekend, noch is er in Haarlem bakafval van zijn bedrijf teruggevonden. Hoe zit het dan?   

Willem Verstraeten was afkomstig uit Vlaanderen of Wallonië en heette oorspronkelijk Willem Jansz de la Rue. Hij vestigde zich in Delft, waar hij in 1613 voor het eerst in de bronnen werd genoemd. Hier speelde hij een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het Delfts aardewerk. Rond 1625 verhuisde hij naar Haarlem, waar hij een goedlopende plateelbakkerij begon. Volgens zijn eigen zeggen had hij maar liefst zestig mannen en jongens aan personeel in dienst. Toen ging het mis. In 1642 werd Willem ziek en deed hij zijn bedrijf aan zijn oudste zoon Gerrit over. Hij verwachtte niet dat hij zijn ziekte zou overleven, maar wonderwel gebeurde dat toch. Vader begon weer een eigen bedrijf en maakte met zijn zoon afspraken over wie wat mocht vervaardigen. Hoe dat precies zat, is niet duidelijk, daar wordt al decennialang over gesteggeld. Vermoedelijk hadden de afspraken betrekking op de decoraties. Duidelijk is in elk geval dat vader Willem probeerde om onder de afspraken uit te komen.  Wat volgde is een familiedrama dat niet zou misstaan in RTL Boulevard. Vader en zoon vochten elkaar juridisch de tent uit, tot aan het Hof van Holland werd geprocedeerd. De fine fleur van de Nederlandse aardewerknijverheid uit Haarlem, Delft, Amsterdam, Rotterdam, Leiden en andere plaatsen werd erbij betrokken. Verklaringen ten gunste van de vader of zoon werden op schrift gesteld. Beiden lieten in Haarlem elkaars schepen met hun ladingen aardewerk openbreken en in beslag nemen. De vader, die niet voor een gat was te vangen, ontsloeg in 1648 al zijn personeel en liet ze weer in dienst treden bij zijn veertienjarige zoon Gijsbrecht en zijn zestienjarige dochter Marija. Zo dacht hij de met zijn zoon Gerrit gemaakte afspraken te kunnen ontduiken. We weten niet hoe het is afgelopen, de bronnen ontbreken of zijn tot nu toe niet teruggevonden. Wel is bekend dat vader en zoon zich uiteindelijk verzoenden. Gelukkig maar.

In de processtukken wordt vaak gesproken over een ‘nieuwe inventie’ die vader Verstraeten zou hebben gedaan. Daarmee wordt bedoeld: een nieuwe techniek, vorm of decor. We weten het niet. In 1982 kwam een Nederlandse kunsthistoricus op het lumineuze idee dat daarmee de groteskendecors in Italiaanse stijl zijn bedoeld. Deze aanname is circa dertig jaar voetstoots aangenomen, maar de laatste jaren wordt er weer aan gemorreld. Enfin, een discussie die al tientallen jaren duurt, zal nog wel even doorgaan.  

Grotesk

Het woord grotesk is een vertaling van het Italiaanse woord grotteschi, dat is afgeleid van grotta, grot. Kort voor 1500 werd het paleis van de Romeinse keizer Nero, de Domus Aurea (gouden huis) uit de eerste eeuw teruggevonden. Omdat het in de loop der tijd was bedolven onder meters puin en grond, moesten bezoekers in de grond afdalen, wat bij hen de associatie met grotten opriep. De wanden van de uitgegraven kamers in het paleis bleken versierd met uitbundige ornamenten, zoals mensachtige figuren, fabelwezens, maskers en vogels. Ze waren symmetrisch over het hele muurvlak verdeeld en door bladranken onderling met elkaar verbonden. Dit  noemen we tegenwoordig een groteskendecor. Vele kunstenaars, ateliers en fabrieken hebben zich er tot in de twintigste eeuw door laten inspireren. De aan Verstraeten toegeschreven schotels zijn daarvan een markant Nederlands voorbeeld.